Dit document is een schriftelijke reactie van het RVB op de bezwaren die door de erfpachtersverenigingen van de Waddeneilanden zijn ingediend tegen de afwijzing van de methode Van der Werf en tegen de gehanteerde taxatie-aanpak.
Het document is gedateerd 20 januari 2017.
Het RVB zet uiteen welke uitgangspunten gelden bij de waardering van bloot eigendom in zakelijke erfpachtsituaties:
- de marktwaarde wordt afgeleid van de marktwaarde in volle eigendom - bij de bepaling van de canon geldt een canonpercentage gebaseerd op tienjarige staatsobligaties zonder inflatiecorrectie, met een opslag - depreciatie wegens de erfpachtsituatie wordt beperkt toegepast
Dit is in lijn met de werkwijze die het RVB eerder heeft beschreven in zijn werkinstructies en die in 2011 door de staatssecretaris van Financiën onder de aandacht is gebracht.
Het RVB herhaalt dat de methode Van der Werf, met name de daarin gehanteerde depreciatie van circa 25%, naar zijn oordeel afwijkt van de gangbare 'rijkslijn'. Het standpunt is dat erkenning van deze methode zou leiden tot uitkomsten die volgens het RVB onvoldoende aansluiten bij de marktwaarde van bloot eigendom.
De reactie wijst op de validering van de RVB-methode die in 2016 door een wetenschappelijk instituut is uitgevoerd, in opdracht van minister Blok. Deze validering ondersteunde volgens het RVB de gehanteerde aanpak.
In 2018 zou het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) over deze validering een oordeel uitspreken dat in een ander licht stond.
Voor erfpachters op Terschelling en de andere Waddeneilanden betekende deze reactie dat de aanbiedingen van SBB voorlopig gestoeld bleven op de RVB-lijn. De Vereniging Terschellinger Erfpachters bereidde in deze periode verdere juridische stappen voor.
Dit is een document van het RVB en valt onder artikel 11 van de Auteurswet als officieel overheidsstuk. De integrale tekst is opgenomen in de bijlage.